Eduard Tubin (1905-1982)

Symfonie nr. 6 (1954)

Andante sostenuto, ma ritmico Molto allegro
Festoso


Estland, de noordelijkste van de drie Baltische Sovjet-staten, is vanaf de twaalfde eeuw bijna voortdurend overheerst geweest door zijn machtigere buurlanden: Duitsland, Zweden, Polen en Rusland. De Europese kunstmuziek-cultuur is er relatief laat tot bloei gekomen. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw rezen er in Tartu en in de hoofdstad Tallinn concertzalen en theaters op, en in het begin van de twintigste eeuw ontstond er een reguliere concertpraktijk.
Tot de eerste generatie Estlandse componisten behoorden Miina Härma en Konstantin Türnpu. Zij werden nog opgeleid aan het conservatorium van St.Petersburg. Ook het grootste deel van de tweede generatie (onder anderen Artur Lemba, Mart Saar en Heino Eller) ontving daar zijn opleiding en onderging er tevens de invloed van Rimski-Korsakov, Ljadov en Glazoenov.
In de jaren twintig van deze eeuw kwamen er ook conservatoria in Tartu en Tallinn. Daar leerden componisten als Eduard Tubin en Arvo Pärt het vak. Vanaf die tijd groeit ook de belangstelling voor Estlandse volksmuziek als bron van inspiratie en als belangrijk hulpmiddel bij het scheppen van een muzikale eigenheid. Eduard Tubin schreef in 1929 een Suite op Estlandse thema's en de ook de symfonieën van Eller en Aav getuigen van volksmuziek-invloeden. Met name Tubin wordt beschouwd als de belangrijkste symfonicus van Estland.

Na zijn compositiestudie, bij onder anderen Heino Eller, dirigeerde Tubin in Tartu het befaamde Vanemuine Theaterorkest. Hij had grote belangstelling voor hedendaagse muziek. Hij bezocht het ICSM festival in Wenen, waar hij belangrijke contacten opdeed. Onder zijn baton vond in 1936 ook de eerste Estlandse uitvoering plaats van Stravinsky's Psalmensymfonie. Twee jaar later kwam hij in contact met de muziek van Bartók en Kodály. De manier waarop deze componisten volksmuziek verwerkten in hun composities was voor Tubin een grote bron van inspiratie.

Tubin is vooral bekend door zijn symfonisch en orkestraal werk. Hij componeerde onder meer tien symfonieën en verschillende concerten voor diverse instrumenten. Kenmerkend voor Tubins symfonische stijl is een gestaag voortstromende vloed van muziek, een energiek, stuwend ritme en de kleine motieven die op het eerste gezicht functieloos zijn, maar uitgroeien tot volwaardige thema's. In 1944 week de componist uit naar Zweden. Daar werkte hij onder meer voor het Drottningholm Theatermuseum in Stockholm en hield hij zich dus diepgaand bezig met opera- en theatermuziek.

Misschien is dat de reden dat Zesde symfonie zo dansant en theatraal is. Hij schreef het werk op 11 december 1954. Het eerste deel lijkt een aaneenschakeling van dansen. Het begint als een soort Boléro. Het melodieuze thema wordt gepresenteerd door de hobo. De hoorn vindt dat het tijd is voor een nieuwe gedachte. Deze lijkt te worden ondergesneeuwd, maar later duikt het motief weer op. Het Energico, un poco piu mosso, herinnert aan een Tango. Een volgend thema wordt door de saxofoon voorgedragen. Behalve aan Ravel doen sommige onderdelen van dit deel ook sterk denken aan Milhaud. Deze verschillende elementen ontwikkelt Tubin naar een dramatisch hoogtepunt. Daarna volgt een verzachting tot het einde van het deel, waarbij de motieven in de piano, slagwerk en de altviolen kunstig worden verwerkt.

Het tweede deel begint met een woeste uitbarsting. Begeleid door ostinate basstemmen en pauken, treden houtblazers, koper, violen en altviolen aan met een doordringend motief. Daarna volgt het ritme van een onregelmatige, maar buitengewoon swingende rumba, compleet met tamboerijnen. De saxofoon komt met een zangerig thema. Trompetten spelen een oorlogszuchtig dansmotief, de sax blaast een weemoedig wijsje, waarna het hele orkest het dansmotief van de trompetten overneemt. Na een verstilling wordt snel een reusachtig climax opgebouwd die ontlaadt in een glissando van de trombones en wordt afgesloten met een forte gespeelde slagwerkepisode.

Deel drie is een breed uitgesponnen chaconne boven een ernstig, feestelijk thema (het deel het niet voor niets Festoso). Dit heeft Eduard Tubin in een reeks, ritmische tamelijk gecompliceerde variaties verwerkt. Na een trombone-trio begeleid door strijkers volgt even een lyrisch intermezzo. Daarna wordt het thema levendiger (energico) uitgewerkt. Een groot crescendo wordt ontwikkeld gevolgd door een langdurige climax. Het thema is eerst in de trombones te horen, later in de trompetten en weer later in canonvorm. Fluiten en klarinetten spelen een vrolijk nieuw motief dat doet denken aan het begin van het tweede deel. Nog een keer vindt er een grote climax plaats en de trombones spelen het thema in een wat bredere uitvoering. Een moment van ontspanning volgt, waarin de strijkers fragmenten van het thema te horen geven.

Tubins Zesde werd op 30 september 1955 voor de Zweedse Radio in première gebracht. De eerste openbare uitvoering vond plaats op 31 oktober 1956 in de concertzaal van Stockholm.

Agnes van der Horst


|| Omhoog || Andere toelichtingen ||