Richard Strauss (1864-1949)

Vier letzte Lieder (1948)

(Uitgevoerd door Elisabeth Meyer-Topsøe en het Radio Filharmonisch Orkest in het Internet-concert van 20 september 1997)


Hoewel Richard Strauss niet wordt beschouwd als een echte liedcomponist, maar meer als een schepper van grote orkestwerken en opera's, schreef hij desondanks toch veel liederen. Hij begon en eindigde zijn componistenloopbaan zelfs met dit genre. Op zesjarige leeftijd schreef hij een kerstlied en op zijn 85-ste componeerde hij zijn laatste werk: de liederencyclus 'Vier letzte Lieder'. Tussen deze twee composities liggen zo'n 78 jaar en meer dan tweehonderd liederen.

De meeste zijn geschreven voor de sopraan Pauline de Ahna, Strauss' echtgenote, die ze, volgens diverse getuigenverklaringen uit die tijd, superieur uitvoerde (zelfs de beruchte Eduard Hanslick noemde haar de 'betere helft' van Strauss). Vanaf het moment dat Strauss voor haar als huwelijksgeschenk zijn liederencyclus, opus 27 schreef (Ruhe, meine Seele, Cäcilie, Aufforderung en Morgen) gaven ze jarenlang gezamenlijk recitals door heel Europa en in de Verenigde Staten. In bijna alle liederen die Strauss geschreven heeft, klinkt zijn liefde en respect voor zijn vrouw. In de 'Vier letzte Lieder' zijn z'n laatste liefdesverklaringen en eerbewijzen aan het adres van zijn trouwe levensgezellin vervat.

Tegen het eind van 1946 las Strauss het gedicht 'Im Abendrot' van Joseph von Eichendorff, waarin een bejaard paar aan het einde van een lang en rijk leven vermoeid naar de zonsondergang kijkt en de dood ziet naderen. De inhoud van het gedicht sloot zo aan bij de belevingswereld van Richard en Pauline Strauss, dat de componist onmiddellijk besloot het op muziek te zetten. Op 6 mei 1948 was het lied georkestreerd. Intussen was Strauss in contact gekomen met de gedichten van zijn oude vriend Hermann Hesse. Hij koos er vier uit om samen met Abendrot een liederencyclus van vijf liederen te vormen, maar hij kon er nog slechts drie voltooien ('Frühling' op 28 juli, 'Beim Schlafengehen' op 4 augustus, en 'September' op 20 september). Van een vijfde lied zijn slechts schetsen overgeleverd.

'De Vier letzte Lieder' is de mooiste en misschien ook wel belangrijkste liederencyclus die Strauss componeerde. In het werk staat een loflied op het lichte groen van de lente direct naast de bezonken schoonheid van de donkere, nevelige herfst. De orkestrering beeldt dit spel van wisselende stemmingen prachtig uit, zoals alleen Richard Strauss dat kon, één van de grootste meesters van de orkestratie van deze eeuw. De vloeiende vocale lijnen zijn harmonisch geïntegreerd in het klankbeeld van het orkest. De sopraanpartij ligt midden in het orkest: er onder de blazers en er boven de strijkers of vice versa. Volgens de sopraan Elisabeth Schwarzkopf, één van de legendarische vertolksters van dit werk "...heb je een dramatische sopraan voor deze liederen nodig, want het zijn meer symfonische gedichten dan liederen." De toonomvang die de stem moet omspannen is ongewoon groot voor een lied.

Strauss verwijst in de cyclus verschillende keren heel bewust naar vroeger werk. Zo is de sopraan-inzet van 'Beim Schlafengehen' precies hetzelfde als in het lied 'Morgen' (uit het huwelijksgeschenk aan zijn vrouw). In 'Im Abendrot' horen we de leeuweriken-motieven terug van het begin van 'Der Rosenkavalier' en de laatste regel van 'Im Abendrot': "ist dies etwa der Tod?" is een citaat uit het symfonisch gedicht 'Tod und Verklärung'.


|| Omhoog || Andere toelichtingen ||