Louis Spohr (1784 - 1859)

Concert in a voor strijkkwartet en orkest, op. 131

Louis Spohr gold in zijn eigen tijd als één van de belangrijkste instrumentale componisten, terwijl hij ook in de opera muzikale vernieuwingen introduceerde waarvan Wagner later dankbaar gebruik zou maken. Zo bedacht Spohr het Leitmotif en de 'doorgecomponeerde opera', waarbij een afwisseling van aria's en recitatieven wordt vervangen door één - doorgecomponeerd - geheel. Toch raakte hij enigszins ondergesneeuwd door de volgende generatie romantische componisten als Schumann, Brahms en Bruckner, wier namen wij aanmerkelijk vaker op concertprogramma's aantreffen.

Spohr kwam uit een muzikaal gezin. Al snel werd zijn fenomenale talent voor de viool ontdekt en hij begon zijn carrière als vioolvirtuoos. Dankzij zijn succesvolle optredens, waarbij hij steeds vaker ook eigen werken speelde, kreeg hij een aanstelling als concertmeester in Gotha. Hier ontwikkelde hij zich tot een veelzijdig componist en dirigent, die als één van de eersten werkte met een stokje, hetgeen de precisie van de musici sterk ten goede kwam. In 1806 trouwde hij met de gevierde harpiste Dorette Scheidler, met wie hij verschillende concerttournees maakte door Italië, Frankrijk en Engeland. Met haar kwam hij ook in Wenen terecht, waar hij Beethoven leerde kennen. Diens invloed is terug te vinden in een steeds sterkere concentratie van het thematisch materiaal. In 1822 werd Spohr kapelmeester in Kassel, waar hij tot zijn dood zou blijven.

Uiteraard speelt de viool een belangrijke rol in zijn oeuvre: hij componeerde maar liefst vijftien concerten voor dit instrument, schreef vierendertig strijkkwartetten en talloze stukken voor kleinere bezetting waarin de viool een hoofdrol speelt. Zijn Concert voor strijkkwartet en orkest opus 131 ontstond in 1845. Spohrs hang naar tragiek komt tot uitdrukking in de eerste twee delen, waarin meeslepende thema's in mineur begeleid worden door bijzonder rijke en verzadigde orkestklanken. Het werk opent met omfloerste pauken, waaruit zich de cello loszingt met een smachtende melodie die een welhaast Hongaars karakter draagt. Al snel treden ook de twee violen en de altviool solistisch naar voren en welbeschouwd hebben we hier dan ook te maken met een quadrupel-concert. Ook in het tweede deel concerteren de vier solisten onderling èn met het orkest, waarbij een sprong omhoog, gevolgd door een trapsgewijze afdaling in het oor springt. Het adagio eindigt zacht en vragend, waarna het derde deel als een ontlading volgt. Met dit vrolijke rondo, waarin volksmuziekachtige melodietjes over elkaar buitelen, besluit Spohr zijn concert met een lichtvoetigheid die we niet van hem gewend zijn.

Thea Derks


|| Omhoog || Andere toelichtingen ||