Concert uit de serie TROS Opera
Opera-programma 19 april 1998
Von Gluck
De door Vergilius en Ovidius opgetekende mythe van Orpheus is een ongelooflijk inspirerend gegeven gebleken voor componisten. De halfgod Orpheus, die met zijn zang- en snarenspel mensen, dieren, planten, goden, stenen en monsters in vervoering kon brengen, is bezongen in liederen, symfonische gedichten, opera's en andersoortige muziekdramatische werken, vanaf de prille zeventiende eeuw (Peri, Monteverdi) tot en met de twintigste (Stravinsky, Krenek en Louis Andriessen).
Stond in het vroege muziekdrama van de zeventiende eeuw nog het tot uitdrukking brengen van de tekst en het verhaal centraal (in de zgn. 'stile rappresentativo', met als schoolvoorbeeld de l'Orfeo van Monteverdi uit 1607). In de loop van de achttiende eeuw, de tijd van de opera seria, was soms van dit streven weinig meer te merken. De opera's kenden een starre opeenvolging van aria's en recitatieven. Het publiek kwam steeds minder voor de muziek, de opera in zijn geheel, maar vaker voor de virtuoze stemmenkunstenaars, de prima donna's. Hoe meer grote sterren, des te meer aria's en wanneer het libretto te kort was, werden er simpelweg nog wat scènes bij verzonnen en muziek bijgeschreven, of aria's uit andere opera's ingelast ook al hadden die niets te maken met het oorspronkelijke verhaal.
Omstreeks 1750 kreeg men er een beetje genoeg van. De opera buffa, het Singspiel en de Franse Opéra Comique, die natuurlijker gevoelens en 'normalere' mensen op het operatoneel brachten, kwamen in zwang. Ook de uit Bohemen afkomstige Gluck had een voorkeur voor deze vorm van opera. Hij componeerde regelmatig komische opera's in het Frans en Italiaans, maar ook in zijn serieuze muziekdramatische werken streefde hij naar natuurlijker personages en uitdrukkingsmiddelen.
Een van de eerste opera's waarin dit streven prachtig tot uiting komt is de opera Orfeo ed Euridice.
De handeling en de dramatische lijn wordt niet onderbroken door wijdlopige aria's, of sub-verhalen. Glucks zeer genuanceerde orkestratie speelt een illustratieve en ondersteunende rol in de expressie van de beweegredenen, gevoelens en handelingen van de personages. Het koor heeft een groter aandeel dan doorgaans gebruikelijk was, maar is qua omvang kleiner omdat de koorleden ook moesten acteren.
Op 5 oktober 1762 vond de eerste opvoering van Orfeo ed Euridice plaats in het Burgtheater in Wenen ter gelegenheid van de verjaardag van keizer Franz van Oostenrijk. Vanwege deze vrolijke aanleiding zagen Gluck en zijn librettist Calzabigi zich genoodzaakt zich te houden aan het verplichte 'lieto fine', de bij de opera seria traditionele 'happy ending', en af te wijken van het tragische en nogal bloeddorstige einde van de Orpheusmythe.
De Ouverture staat in C. De energieke toon van dit deel verwijst al naar het feestelijk slot (Toccata in D). De rest van de opera staat overwegend in Es of in de parallelle toonsoort c. De instrumentale stukken, en dansen weerspiegelen de stemming die op dat moment in de opera overheerst. De opera is opgebouwd uit afwisselend koren, instrumentale gedeelten, aria's, begeleide recitatieven en duetten. De aria's zijn eenvoudiger en korter dan gebruikelijk in die tijd en vertonen soms een zekere verwantschap met volksliederen. Orfeo's ontroerende aria "Che faro senza Euridice!" (wat moet ik zonder Euridice!) klinkt nadat Orfeo voor de tweede keer zijn geliefde Euridice verliest door zich naar haar om te keren bij hun tocht uit de onderwereld. Met dit werk luidde het duo Gluck/Calzabigi de hervorming in van de Napolitaanse opera seria.
Mozart
La Clemenza di Tito (De vergevingsgezindheid van Titus) was Mozarts laatste Italiaanse opera. Het componeren van dit in eerste instantie niet zo bij Mozart passende politieke drama, een echte opera seria die zich afspeelde in het oude Rome, was een uitvloeisel van een opdracht van het Boheems Parlement. De opera diende in Praag de plechtige kroning van Leopold II tot koning van Bohemen op te luisteren. Het libretto (oorspronkelijk van de opera-seria librettist bij uitstek, Metastasio) had al eerder dienst gedaan. Onder anderen Gluck, Jommeli, Hasse en Caldera hadden er zeer succesvolle opera's op geschreven. De dichter Mazzola kortte het werk in (van drie naar twee bedrijven) en Mozart doorbrak de opera seria standaardregels door minder aria's te schrijven en enkele ensemble-stukken (tot dusver tot het terrein behorend van de opera buffa) toe te voegen. De driedelige aria Parto ma tu ben mio wordt gezongen door Sesto, een goede vriend en getrouwe van keizer Titus. Hij is verliefd op Vitellia. Zij haat Titus en dwingt hem zijn keizer te vermoorden. In de aria (negende scène, eerste bedrijf) geeft Sesto toe aan haar dwang. In de muziek komt duidelijk tot uiting hoe Sesto heen en weer wordt geslingerd tussen gevoelens van berusting, vastberadenheid en wanhoop.
Rossini
In Italië bleven de vernieuwingen in de opera die in Frankrijk en Oostenrijk plaatsvonden een tijdlang achterwege. Nog tot ver in de achttiende en zelfs negentiende eeuw waren de libretti bijna uitsluitend gebaseerd op mythologische en klassieke verhalen (opera seria) of op de lotgevallen van nogal stereotiep uitgebeelde volkse figuren (opera buffa). De Italiaanse opera was meestal een nummeropera, waarin de afzonderlijke 'nummers' (aria's, duetten, enembles, koren, voorspelen en intermezzi) een afgerond geheel vormden en dikwijls van elkaar gescheiden werden door gesproken tekst. Onder invloed van de Franse tragédie lyrique begonnen Italiaanse opera seria componisten zoals Traetta en Mayr meer aandacht te besteden aan het uitbeelden van de tekst en werden de 'fioritura' solo-aria's wat vaker afgewisseld met eenvoudiger en meer directe muziek, ook kreeg het koor een grotere rol.
Met het werk van Gioacchino Antonio Rossini veranderde er echt iets in de Italiaanse opera. In zijn muziek blijft hij een typische 18de eeuwer die zich nauwelijks betrokken voelde met de in zijn tijd opkomende romantiek. Hij trok zich ook weinig aan van de in de Italiaanse salons druk bediscussieerde nieuwe stromingen in de literatuur en de politiek. Toch, en misschien wel ondanks zichzelf, was Rossini een vernieuwer en dat kwam vooral door zijn aandacht en liefde voor de instrumentatie. Critici gaven hem zelfs de bijnaam 'Il Tedesco' (De Duitser), omdat hij niet, zoals zijn voorgangers en tijdgenoten, het bel-canto tot uitgangspunt nam, maar het logische muzikale verloop van de opera. Rossini was één van de eersten die zich afkeerden van de strenge indeling tussen opera buffa en opera seria.
Il viaggio a Reims werd net als Mozarts La Clemenza di Tito geschreven ter gelegenheid van een kroning, in dit geval die van Karel X van Frankrijk. Het werk behoort tot Rossini's beste opera's, die echter door de noodzakelijke tien hoofdrollen praktisch moeilijk uitvoerbaar bleek.
De aria Una voce poco fa uit Il Barbiere di Siviglia behoort tot een van de bekendste uit de operaliteratuur. Het is de beroemde Cavatina van Rosina uit het eerste bedrijf, waarin ze virtuoos, lichtvoetig, verlangend en sensueel haar verliefdheid bezingt. Het juichende Nacqui all'affanno e al pianto is afkomstig uit de finale van de opera La Cenerentola. Hierin verhaalt Angelina over de goede wending die haar leven heeft genomen.
Donizetti
Bellini's tijdgenoot Gaetano Donizetti gaat nog een stap verder en versterkt de dramatische spanning in zijn werken, hetgeen een grotere vormvrijheid met zich meebrengt. Donizetti neemt daardoor een overgangspositie in tussen Rossini en Verdi: de oude conventies en basisschema's zijn in zijn serieuze werken nog wel terug te vinden, maar worden daar dikwijls met een zekere vrijheid gehanteerd. In zijn komische opera's zoals Don Pasquale uit 1843 bereikte hij zijn dramatisch sterkste momenten. De aria O mio Fernando is afkomstig uit het derde bedrijf van La Favorita, waarin het ook al weer handelt om een liefde die eigenlijk niet mag. Het onderwerp van La Favorita was een populair thema in de negentiende eeuw (Verdi's La Traviata handelt over hetzelfde): een jonge man van onbesproken gedrag wordt verliefd op een vrouw met een besmet verleden, de minnares van de koning. Zij houdt ook van hem maar voelt zich onwaardig om haar liefde voor hem uit te spreken. Dat is ook precies wat er bezongen wordt in de lyrische en hartstochtelijke aria van Leonora, de favoriete van de Spaanse koning Alfonso X.
Massenet
Massenets idioom vertoont duidelijke overeenkomsten met dat van zijn tijdgenoot Wagner, die hij zeer bewonderde. Toch heeft hij een heel duidelijke eigen stijl, die lyrischer, vloeiender en bondiger is dan die van Wagner. In Werther is Wagner nog aanwijsbaar aanwezig, maar in de opera Thaïs is dat al veel minder het geval. In het serene Méditation komt Massenets gave voor het schrijven van sierlijke melodielijnen sterk tot uiting. Net als bij I Capuleti e i Montecchi gaat het ook in de opera Werther over een verboden liefde. Charlotte houdt van Werther, maar is al aan een ander beloofd. Wanneer ze uit plichtsgevoel toch met de ander trouwt, pleegt Werther zelfmoord. In de aria Werther! Qui m'aurait dit? bezingt Charlotte haar liefde en haar innerlijke strijd.
Agnes van der Horst
|| Omhoog || Andere toelichtingen ||