Franz Liszt, (1811-1886)
Pianoconcert nr. 1 in Es (1856)
De eerste jaren van zijn componisten- en pianistenloopbaan in Parijs waren voor Liszts compositie-stijl zeer beslissend. In de Franse hoofdstad kwam hij in contact met de muziek van Meyerbeer, Berlioz en Chopin en hoorde hij Paganini spelen. Berlioz' onconventionele, kleurrijke orkestraties (zoals in de Symphonie fantastique) zouden blijvend invloed uitoefenen op de orkestwerken van Liszt. Het optreden van de violistische 'duivelskunstenaar' Paganini spoorde hem aan zijn pianotechniek uit te breiden tot hetgeen Paganini deed op de viool, ook mogelijk was op het klavier.
Na een 'virtuozen-periode', waarin Liszt in een (zeker voor die tijd) moordend tempo over de hele wereld (van Lissabon tot Moskou en van Constantinopel tot Cork) een ongelooflijke hoeveelheid sensationele concerten gaf, vestigde hij zich als hofkapelmeester in Weimar, samen met zijn geliefde Carolyne Sayn-Wittgenstein. Daar wierp hij zich op als pleitbezorger van de toen 'moderne' componisten als Berlioz en Wagner en daar konden compositie-ideeën die al langer bestonden tot rijping komen. In 1849 ontstond in Weimar de eerste versie van het Pianoconcert in Es, waarvan de eerste schetsen al in de vroege jaren derig op papier werden gezet. Liszt wijzigde het werk in 1853, en na première op 17 februari 1855 in Schloss Altenburg in Weimar onder de leiding van zijn vriend Berlioz en met de componist zelf als solist, werkte hij het stuk nogmaals grondig om. Pas in 1857 werd Liszts definitieve Pianoconcert in Es gepubliceerd.
Het werk is een synthese van Berlioz' orkestrale idioom, de technische hoogstandjes à la Paganini en Liszts eigen piano- en compositiestijl: een mengeling van grandeur en fijnzinnigheid.
Het Concert heeft vier delen, maar kan ook worden gezien als één doorgaand stuk door de thematische kruisverbindingen tussen de verschillende delen.
Het eerste deel opent met een energiek dalend motief dat wordt ingezet door de strijkers unisono, aangevuld met schetterend koper. Na het horen van deze schallende introductie lachte Hans von Bülow: "Das versteht ihr alle nicht - ha, ha!", waarmee hij doelde op de te verwachten afwijzende reacties van de criciti. Na deze kort-maar-krachige inleiding zet de piano in met snelle dubbeloktaven en een 'grandioso' cadens die geënt is op het dalende motief. Het zal nog vaker te horen zijn. Een delicate kamermuziek-achtige passage volgt waarbij mooie dialogen ontstaan tussen piano, klarinet en altviool. Een nieuw thema wordt geïntroduceerd dat het cantabile, brede hoofdthema zal worden van het tweede deel.
Dit Quasi adagio wordt beheerst door deze mooie, meanderende lange melodie die het hele deel een sfeer verleent van mijmering die even wordt doorbroken door dreiging en opwinding (tremoli in de violen). Soli van houtblazers, gemengd met hoge trillers zorgen voor een sprookjesachtige, pastorale sfeer, waarna de donkere gloed van het begin weer terugkeert.
Het derde deel volgt direct op het Adagio. Het is een echt scherzo, vol humor en fantasievolle invallen. In de partituur staat als aanwijzing bij de pianopartij 'capriccioso scherzando'. Een vederlichte, transparante passage waarin zilverige watervalletjes uit de piano duikelen rond de subtiele tinkelgeluiden van de solistisch gebruikte triangel roept associaties op met ouderwetse speeldoosjes. Er volgt een korte cadens, waarna een orkestrale verwerking wordt ingezet van het dalende motief uit het eerste deel. De finale is in feite een bewerking van de thema's en motieven van de drie voorgaande delen. Liszt zelf schreef over dit Allegro marciale animato: 'Het vierde deel van het concert vanaf het Allegro marciale corresponeert met het tweede, het Adagio. Het deel is slechts een nadrukkelijke recapitulatie van de vroegere stof in een versneld, levendig ritme en bevat geen enkel nieuw motief, zoals met een enkele blik op de partituur al te zien is.'
De finale roept de martiale, majestueuze stemming van het eerste deel weer op en eindigt met een donderend stretto.
Hans von Bülows voorspellende opmerking naar aanleiding van de introductie werd bewaarheid: de critici hebben Liszts Pianoconcert afgekraakt, Hanslick en Hiller voorop. 'Op 15 mei begeef ik me naar Aken, zodat weer veel plaatselijke en landelijke bladen de gelegenheid zullen hebben op me te schelden'. In Aken vonden muziekfeesten plaats, waarbij Bülow Liszts Eerste Pianoconcert zou uitvoeren. Het publiek was enthousiast, de pers vernietigend.
Agnes van der Horst
|| Omhoog || Andere toelichtingen ||