Willem Jeths (1959)
Flux/Reflux voor orkest
Première in Muziekcentrum Vredenburg te Utrecht
op zaterdag 28 november 1998 in concert TROS Klassiek
Op zijn negendertigste kan Willem Jeths zich één van de meest succesvolle Nederlandse componisten noemen. Hij won verschillende internationale prijzen en zijn werk wordt in binnen- en buitenland veelvuldig uitgevoerd. Door zijn enorme vakmanschap en gedrevenheid weet hij een eigen klankwereld te scheppen, die verrassend en desondanks toegankelijk is. 'Bij het componeren streef ik ernaar om het skelet, de essentie van muziek aan te geven', zegt hij. Dit tracht hij te bereiken met een 'onopgesmukte stijl, waarin een kernachtige muzikale gedachte gepaard gaat met een bijzondere aandacht voor de pure klank'.
Zijn composities zijn vaak gebaseerd op een minimum aan materiaal. Zo vormt een dubbelslag het uitgangspunt voor zijn strijkkwartet 'un vago ricordo', en is zijn harpconcert Fas/Nefas, dat eerder dit jaar in première ging, gebaseerd op slechts een negental tonen. Door uitgebreide speelaanwijzingen weet Jeths de kleur van zijn noten zó te beïnvloeden, dat geheel nieuwe klankspectra ontstaan. Toch is hij geen mooischrijver, want soms vraagt hij bewust om lelijke, krassende noten, zoals in Novelette voor viool en piano, of in Arcate, zijn eerste strijkkwartet. Geregeld ook verstemt hij instrumenten, zoals in zijn vioolconcert Glenz, om zoveel mogelijk gebruik te kunnen maken van open snaren, die 'een fundamenteel andere klank hebben dan ingedrukte snaren'. Naast de enorme interesse voor klankkleur heeft hij ook veel aandacht voor de ritmiek, die in zijn composities altijd natuurlijk en vloeiend klinkt.
Jeths studeerde bij Tristan Keuris, van wie hij leerde een muzikaal idee 'helemaal uit te wonen', alvorens een ander te introduceren. Keuris overleed in 1996, vlak nadat Jeths zijn moeder had verloren en als vanzelf deelde hij zijn rouwproces met Marion, de weduwe van zijn vroegere leraar. Aan haar droeg hij Flux/Reflux op, een compositie 'over de dood'. Ook dit werk is gebaseerd op een minimaal gegeven: een steeds terugkerend, stijgend glissando dat ingezet wordt door de flexatone, een soort zingende zaag. Hierdoor onstaat een onwereldse sfeer die opgevat kan worden als een metafoor voor het leven na de dood. De overgang van de ene naar de andere wereld wordt verder gesymboliseerd door de strijkers, die in oplopende rijen achter elkaar zijn opgesteld, waardoor klanken van voren naar achteren komen aanrollen en weer wegebben. 'Eigenlijk is het stuk één groot getijde' zegt Jeths.
Opvallend is ook het gebruik van de lujon, een soort marimba waarvan de zes metaalplaatjes niet gestemd zijn, maar wel opklimmen in toonhoogte. Door dit instrument samen met de vibrafoon te laten klinken, ontstaat een gevoileerde klank met veel diepte. Qua ritmiek laten sommige passages ons in het ongewisse over de puls, terwijl deze op andere momenten juist benadrukt wordt. De hierdoor gesuggereerde ontwikkeling wordt echter teniet gedaan door het statische karakter van de samenklanken. 'Net als in de Indonesische gamelanmuziek' zegt de componist, 'gaat het stuk eigenlijk niet over beweging, maar over de verschillende vormen van stilstand'.
Want in ons leven is ook de dood niet nieuw, tenslotte ...
Thea Derks
|| Omhoog || Andere toelichtingen ||