Carl Philipp Emanuel Bach (1714-1788)

Sinfonia in G, Wq 183, nr. 4 (1780)


Carl Philipp Emanuel Bach was de tweede zoon die in leven bleef van Johann Sebastian Bach en zijn eerste vrouw Maria Barbara. Hoewel zijn naam nu niet meer zo dikwijls voorkomt op de programma's van de reguliere orkesten, was hij tijdens zijn leven de beroemdste, productiefste en invloedrijkste van Bachs zeven muzikale zonen. Hij was een zeer gerespecteerd klavierspeler en muziektheoreticus en als componist de belangrijkste Noord-Duitse exponent van de zogenaamde 'empfindsamer Stil', een stijl die een hele verre voorloper van de romantiek genoemd zou kunnen worden.

Carl Philipp Emanuel legde zijn opvattingen over klavierspel en muziek-esthetiek neer in een essay dat veel invloed uitoefende op het denken over muziek in een groot deel van Europa: Die Versuch die wahre Art das Clavier zu spielen. De verhandeling dient nog altijd als richtsnoer voor de musicus van nu die op de juiste wijze werken wil uitvoeren die in deze 'empfindsamer Stil' zijn gecomponeerd. In het tractaat stelde Bach dat het hoofddoel van de muziek is de mensen in het hart te raken en gevoelens op te roepen. Om dat effect te bereiken moest men, aldus schreef hij in zijn verhandeling: 'recht vanuit de ziel' spelen.
De compositorische middelen waarvan Carl Philipp Emanuel Bach zich bediende om deze 'Empfindsamkeit' (vrij vertaald: gevoelvolheid) te bewerkstelligen, zoals plotselinge onderbrekingen in de voortgang van de muziek, tempowisselingen en felle dynamische contrasten, werden het handelsmerk van zijn rijpere composities. Zijn werken vormden een zeer belangrijke bron van inspiratie voor de toondichters van latere generaties, zoals Mozart, Haydn en Beethoven. 'Bach is de vader, wij de kinderen. Degenen onder ons die iets goed doen, hebben dat van hem geleerd....' schreef Mozart over hem.

Bijna dertig jaar lang was Carl Philipp Emanuel Bach in dienst van de fluitspelende vorst Frederik II van Pruissen, die hof hield in Potsdam en Berlijn. Hij had een keur van uitstekende musici in dienst, zoals zijn fluitleraar de beroemde Johann Joachim Quantz en de gebroeders Graun. Frederik II had echter een nogal behoudende smaak en wist de gedurfde expressiemiddelen van zijn clavecinist, begeleider, orkestleider en arrangeur niet erg te waarderen. Bach behoorde gedurende bijna de hele periode dat hij in dienst was bij Frederik de Grote tot de laagst betaalde musici van het Berlijnse hof.
Pas in 1768 lukte het hem om weg te komen. Toen zijn peetvader Georg Philipp Telemann in 1767 overleed kwam in Hamburg de post van Musikdirektor vrij, ongeveer eenzelfde functie als zijn vader bekleedde in Leipzig. Als Musikdirektor was Carl Philipp Emanuel Bach verantwoordelijk voor de opleiding van jonge koorleden en musici en voor de muziek voor alle diensten in de vijf belangrijkste kerken van Hamburg. Hier kon Bach zijn individuele compositiestijl ongehinderd en ten volle ontplooien. Daardoor ontstonden in de Noord-Duitse hanzestad zijn verrassendste en boeiendste werken, waaronder de vier symfonieën die gebundeld zijn onder het catalogusnummer Wq 183. Duidelijk is in deze werken de karakteristieke componeerstijl van de componist waar te nemen, zoals de befaamde felle contrasten: forte versus piano, lange noten tegen korte.
De helderheid van structuur en orkestweefsel van de Vierde Symfonie in G doet klassiek aan, maar ook hier vinden we die meeslepend-dramatische contrasten in stemming, orkestratie en dynamiek. Het langzame deel heeft een indringend-weemoedige ondertoon. Ongeveer halverwege dit deel wordt de muziek nog triester en persoonlijker. Het Presto is tamelijk neutraal en opgewekt van stemming. Het is alsof de componist vond dat hij nu wel genoeg van zijn emoties had laten zien.


|| Omhoog || Andere toelichtingen ||