Carl Philipp Emanuel Bach (1714-1788)

Concert voor 2 klavecimbels en orkest in F, Wq 46 (1740)


De beroemde dichter Friedrich Gottlieb Klopstock was een vriend en bewonderaar van Carl Philipp Emanuel Bach. Hij beschreef hem eens als een kunstenaar die vernieuwingen in de muziek wist te combineren met schoonheid. Die originaliteit is ook te vinden in het Concert voor twee klavecimbels, dat veertig jaar voor de Sinfonia in G ontstond, in de tijd dat de componist in dienst was van Frederik II van Pruissen.
Een gelukkige bijkomstigheid van het feit dat zijn broodheer zijn kwaliteiten als componist niet zo waardeerde was dat Bach daardoor juist tijd genoeg had om tal van werken te schrijven. Hij componeerde in zijn Berlijnse periode in bijna ieder destijds bestaand genre: orkestmuziek, diverse soorten kamermuziek en vocale composities. Zijn beste en meest persoonlijke muziek is waarschijnlijk te vinden tussen de indrukwekkende hoeveelheid stukken die hij schreef voor clavecimbel (solowerken en concerten). Hoewel Bachs tweede zoon, net als zijn vader, nooit voor het muziektheater heeft geschreven, was de opera zelden ver weg. In bijna al zijn instrumentale muziek nam hij elementen over uit de opera seria, zoals recitatieven en arioso's. Dit versterkte het dramatische en emotionele aspect van zijn composities aanzienlijk.

Het Concert voor twee clavecimbels heeft nog de traditionele opbouw van het door Vivaldi gestandaardiseerde Barok-concert. De delen hebben afwisselend een snel, langzaam en weer een snel tempo en de tutti-passages wisselen keurig af met de solistische. Maar de solisten hebben al meer thematische en harmonische vrijheid dan bijvoorbeeld in de concerten voor twee clavecimbels van J.S.Bach en ook is de algehele stijl dramatischer. Dat is vooral het geval in het energieke eerste deel dat beurtelings elegant en trots, teder en zelfbewust klinkt. De solisten voeren een dialoog met het orkest, dat bestaat uit strijkers en twee hoorns, imiteren elkaar of nemen thema's en fragmenten van elkaar over om deze vervolgens verder uit te werken.
De naar binnengekeerde, smartelijke atmosfeer van het langzame deel, waarin de hoorns er het zwijgen toe doen, vormt hiertegen een schril contrast. Het orkest lijkt een intens droevig verhaal te vertellen, waarop de beide solisten instemmend commentaar leveren. In het snelle, uiterst vitale laatste deel, nu weer mét de hoorns, is echter alle somberheid in rook opgegaan.


|| Omhoog || Andere toelichtingen ||