Antonín Dvorák (1841-1904)

De Watergeest, Symfonisch gedicht in b, op. 107 (1896)

(Uitgevoerd door het Radio Symfonie Orkest in het Internet-concert van 14 maart 1998)


De grote Johannes Brahms was een bescheiden mens. Tegenover zijn eigen composities stond hij uiterst kritisch, maar het werk van zijn (minder bekende) collegae bewonderde en stimuleerde hij openlijk en hartelijk. Over de muziek van Dvorák zei hij eens: 'Die kerel heeft meer ideeën in zijn hoofd dan wij allemaal bij elkaar. Ik zou willen dat mij hoofdthema's zouden invallen, die hij als neventhema's gebruikt.' Brahms onderkende onmiddellijk het talent van de jonge Tsjech en was zijn grote pleitbezorger. Brahms zorgde ervoor dat de grote Berlijnse uitgever Simrock Dvoráks eerste werken uitgaf.

In de tijd dat Dvorák De Watergeest schreef had hij allang geen bescherming meer nodig. Zelf was hij een van de beroemdste Europese componisten, die ook heel Amerika aan zijn voeten had. Na zijn jarenlange verblijf in de Verenigde Staten (van 1892-1895) keerde hij terug naar zijn vaderland en componeerde sindsdien voornamelijk opera's en symfonische gedichten op typisch Tsjechisch-slavische thema's, wellicht uit blijdschap dat hij weer thuis was (Dvorák had in Amerika veel last gehad van heimwee).

Een van de eerste projecten die hij ondernam was het componeren van een reeks orkeststukken gebaseerd op een verzameling Tsjechische volksballaden van de dichter Karl Jaromir Erben. Een van de eerste verhalen waardoor Dvorák zich liet inspireren was dat van de Watergeest. Misschien zag hij meteen dat het verhaal zelf de mogelijkheden bood voor een muzikale vorm. De snelle, ongrijpbare watergeest, voortdurend en dreigend overal aanwezig, vroeg als het ware om een compositie in de vorm van een rondo.

Het beweeglijke en speelse thema van de geest klinkt eerst luchtig en landelijk (hoge houtblazers en strijkers). Aan het begin van het verhaal zit hij op een overhangende tak van een populier boven het meer en naait voor zichzelf een paar rode laarzen die hij wil dragen tijdens zijn bruiloft. Het rondo-thema klinkt echter steeds dreigender (de bezetting wordt zwaarder, de klankkleur voller en lager, de dynamiek sterker). Het tempo in de muziek vertraagt tot een Andante sostenuto en als in een film verplaatst de camera zich naar een huis in het in de buurt van het meer gelegen dorp, waar een meisje haar moeder meedeelt dat ze naar het meer gaat om de was te doen.
De onschuld en schoonheid van het meisje worden gesymboliseerd door een lyrische melodie (voor het eerst gespeeld door de klarinetten). Haar moeder wil liever niet dat ze naar het meer gaat, want ze heeft een nare droom gehad die haar met akelige voorgevoelens vervult (de zorgelijkheid van de moeder klinkt door in de melodie gespeeld door de gedempte violen). Maar het meisje gaat natuurlijk toch, ondanks de waarschuwingen die in de muziek weerklinken (onrustige golvingen in de strijkers en de pauken die het watergeest-thema spelen).
Aan het meer aangekomen breken de planken van het bruggetje en het meisje wordt het slachtoffer en de bruid van de watergeest (het Allegro vivo geest-thema is triomfantelijk te horen in trombones en pauken). Het meisje zinkt naar de bodem van het meer en na een korte werveling heerst er even doodse stilte.
In de volgende muzikale episode (Andante mesto) schildert Dvorák het treurige lot van het meisje. Ze zingt een droevig wiegelied voor haar watergeest-baby (hartstochtelijk-nostalgische vioolmelodie, met op de achtergrond het rondothema, pizzicato gespeeld door de celli). Ze weet de watergeest te vermurwen haar even vrij te laten om haar moeder te bezoeken, ze moet echter voor het luiden van de avondklokken weer thuis zijn. Dvorák laat het thema van het meisje en de moeder klaaglijk weerklinken in trombones en fluiten. Het thema van de watergeest is zacht aanwezig, en mengt zich met de avondklokken. De watergeest roept een alles verwoestende storm op en in de muziek wordt een climax opgebouwd (chromatische stijgende toonladderfiguren in de lage strijkers) die culmineert in een enorm tutti en een orkestrale klap: de watergeest smijt de door hem vermoorde baby tegen de deur van het huis.
Hier eindigt het sprookje, maar dat was Dvorák kennelijk te bar. In het symfonisch gedicht laat hij de watergeest met een dalende hele toonstoonladder in het meer verdwijnen.

Agnes van der Horst


|| Omhoog || Andere toelichtingen ||