Antonín Dvorák (1841-1904)
Concertouverture Othello, opus 93 (1891/92)
(Uitgevoerd door het Radio Filharmonisch Orkest in het Internet-concert van 3 april 1998)
De Tsjech Dvorák was bovenal een componist van absolute muziek en voelde aanvankelijk de meeste affiniteit voor abstracte muzikale vormen als symfonieën, concerten en kamermuziek. Toch speelde hij lang met de gedachte programmatische muziek te schrijven, net als zijn vriend Tsjaikovsky en zijn landgenoot Smetana. Tussen 1891 en 1892 schreef Dvorák drie ouvertures die samen een semi-programmatische cyclus vormen en een voorzet zijn voor de symfonische gedichten die hij daarna zal schrijven.
De ouvertures zijn een eerbetoon aan de natuur. In eerste instantie droegen ze de namen: 'Natuur', 'Leven' en 'Liefde'. Later gaf hij de afzonderlijke ouvertures nieuwe titels en wel: 'In het rijk van de natuur', 'Carnaval' en 'Othello'. Er is een thema dat alledrie de ouvertures met elkaar verbindt, en dat is het thema dat de natuur vertegenwoordigt. Het is een brede, lyrische melodie die sterk doet denken aan de melodie van 'Ochtendstemming', het eerste deel uit de eerste Peer Gynt-suite van Grieg. In de 'ouverture In het rijk van de natuur' is deze melodie het hoofdthema, in 'Carnaval' wordt er slechts kort aan gerefereerd en in 'Othello' is het thema weer duidelijk aanwezig.
De naam Othello van de laatste ouverture lijkt nogal willekeurig gekozen. Na 'Liefde', overwoog Dvorák nog 'Tragische' en 'Eroica' als titel voor dit werk. De componist had dan ook niet de bedoeling het drama van Shakespeare letterlijk te volgen. De aanwijzingen in de partituur maken duidelijk dat hij het onderwerp van de jaloezie van Othello op eigen wijze wilde behandelen. De compositie werkt geleidelijk naar een climax: de moord op Desdemona, haar sterven, het berouw en het gebed van Othello en zijn zelfmoord.
Agnes van der Horst
|| Omhoog || Andere toelichtingen ||