Antonín Dvorák (1841-1904)
Negende Symfonie, 'Uit de nieuwe wereld' (1893)
(Uitgevoerd door het Radio Filharmonisch Orkest in het Internet-concert van 3 april 1998)
In 1892 maakte Antonín Dvorák de grote oversteek naar de Verenigde Staten om met een speciaal voor de gelegenheid gecomponeerd Te Deum de viering van de vierhonderdste verjaardag van de ontdekking van Amerika op te luisteren. Hij kreeg een contract om gedurende twee jaar compositielessen te geven aan het pas opgerichte Newyorkse conservatorium, waarbij hij werd geacht de Amerikaanse muziekstudenten Amerikaanse muziek te leren schrijven. Spottend schreef hij aan zijn uitgever Simrock dat hij 'de redder van de Amerikaanse muziek' moest worden.
In zijn Amerikaanse jaren (van 1892 tot 1895) componeerde Dvorák onder meer het Strijkkwartet in F, het Strijkkwintet in Es, het Celloconcert en zijn beroemdste werk: de Negende Symfonie, Uit de nieuwe wereld. In zijn geboorteland putte de Tsjechische componist voor zijn composities uit de volksmuziek van zijn land; het was voor hem dus vanzelfsprekend dat, wanneer hij Amerikaanse muziek wilde schrijven, hij zich moest verdiepen in de Amerikaanse volksmuziek. Daarbij maakte hij echter weinig onderscheid tussen de muziek van de van oorsprong Afrikaanse negers, de Amerikaanse Indianen of de door de immigranten meegebrachte (vooral Schotse en Ierse) volksmuziek uit Europa. De Negende Symfonie bevat dan ook elementen uit al deze muzieksoorten, maar erg specifiek Amerikaans zijn die elementen niet.
De Negende Symfonie is Dvoráks meest populaire symfonie, misschien zelfs wel de populairste van alle bestaande symfonieën, op de Vijfde van Beethoven na. De grote hoeveelheid pakkende, melodieuze thema's en de eenvoudige harmonieen hebben daar ongetwijfeld toe bijgedragen. Een andere oorzaak van het succes van deze compositie is het 'feest der herkenning' van het muzikale materiaal. Het motto-thema van het eerste deel komt in alle andere delen duidelijk hoorbaar terug.
De langzame, ingetogen introductie tot het eerste deel (het Largo) roept een plechtige, bijna religieuze sfeer op. Donald Francis Tovey, een bekend Engels musicus en musicoloog uit die tijd omschreef deze passage eens treffend als muziek die 'over de wereld schrijdt als de Wotan van Wagner'. Het tweede en derde deel hebben prachtige lied-motieven. De meeslepende, weemoedige melodie die door de althobo in het tweede deel wordt geintroduceerd doet in eerste instantie denken aan een gospel, of een negro-spiritual. Wanneer daar de tremolo-begeleiding van de violen (in kwart- en kwint-intervallen) bij komt, gaan de gedachten echter toch weer onwillekeurig naar de Slovaakse volksmuziek. In de Finale komen bijna alle (volkslied-achtige) thema's nog een keer terug.
Het publiek was bij de première van het werk, op 16 december 1893 in de Carnegie Hall te New York, buiten zinnen van enthousiasme. Amerikaanse recensenten waren echter verontwaardigd over het weinig authentieke karakter van de gebruikte volksmuziek. 'Als er iets Indiaans is in Dr. Dvoráks symfonie is dat alleen de sfeer uit de geromantiseerde verhalen over Indianen', schreef de New York Daily Tribune. Dvorák had in feite geen enkele echte Indiaanse melodie gebruikt, zo zei hij zelf: 'Ik heb gewoon thema's geschreven die kenmerken dragen van Indiaanse muziek. Deze thema's heb ik verwerkt met gebruikmaking van moderne ritmiek, harmoniek, contrapunt en orkestrale kleur.'
Agnes van der Horst
|| Omhoog || Andere toelichtingen ||