Béla Bartók (1881-1945)

Divertimento voor strijkers Sz.113 (1939)


Het officiële Hongaarse muziekleven werd gedurende de negentiende en het begin van de twintigste eeuw sterk beïnvloed door de Duitse cultuur. Voor Béla Bartók waren Duitse laat-romantische componisten dan ook zijn belangrijkste voorbeelden; tot hij zich vanaf 1903 intensief verdiepte in de folklore van zijn land, die zijn compositiestijl definitief zou gaan bepalen. Een bezoek in Parijs in 1905 bracht hem echter in contact met de muziek van Debussy en Ravel, die ook haar sporen in Bartóks werk zou achterlaten. Bovendien wekte de bestudering van de muziek van Bach (Bartók publiceerde een editie van de 48 Preludes) zijn interesse in het contrapunt. Maar Bartók was bovenal een classicist, die streefde naar evenwicht, helderheid en symmetrie in zijn composities. De typische, onloochenbare stijl van Bartók is gebaseerd op een geheel eigen synthese van al deze verschillende elementen, waarvan het element van de volksmuziek het meest belangrijke is.

Het werk van Bartók heeft pas na zijn dood in 1945 een breed publiek gekregen, en daarvan voornamelijk alleen de composities uit zijn laatste tien levensjaren. In die periode werd zijn muziek minder streng georganiseerd, eenvoudiger en kreeg zij een wat 'menselijker' gezicht. De melodielijnen werden vloeiender en er kwam meer herkenbare emotie in zijn composities. Mogelijk werd deze meer persoonlijke aanpak veroorzaakt door de omstandigheden waarin Bartók gedurende de laatste jaren van zijn leven verkeerde. Uit talrijke brieven uit die tijd blijkt dat het oprukkende nazidom hem grote angst inboezemde, waardoor hij zijn composities óf in grote haast voltooide, dan wel volstrekt verlamd geen noot op papier kreeg. Tegelijk met het uiten van meer persoonlijke gevoelens werd Bartók classicistischer en maakte hij meer gebruik van traditionele vormen, genres en structuren.

Het Divertimento voor Strijkers componeerde Bartók in de zomer van 1939 in de korte tijdspanne van drie weken in het Zwitserse chalet van Paul Sacher die hem om een compositie had gevraagd voor zijn Kamerorkest van Basel. (Sacher was een belangrijke stimulator van nieuwe muziek: hij gaf ook opdrachten aan onder anderen Stravinsky, Honegger en Martin.) Van de zorgen van de componist (over de oorlogsdreiging en de ziekte van zijn moeder) is in dit werk nauwelijks iets te horen. Het eerste en derde deel bevatten zelfs de meest ontspannen en meest vrolijke muziek die Bartók ooit schreef. Alleen het zeer tragische langzame deel werpt een dreigende schaduw over het werk.

In het Divertimento voor Strijkers combineert Bartók op unieke wijze volksmuziek-elementen met traditionele vormen en technieken. Het stuk is een moderne afspiegeling van het Barokke concerto grosso, waarin groepjes solisten concerteren met het voltallige strijkorkest. In het eerste deel horen we in de unisono gespeelde syncopen de Verbunkos, een vurige volksdans uit de herbergen (verbunkos) waar soldaten voor het leger werden geronseld. Het hoofdmotief is een opgewekt en vederlicht dansmelodietje, waarvan de meeste andere motieven en thema's zijn afgeleid. De verstilde herinnering aan deze melodie leidt naar de rouwstemming van het Molto Adagio. Boven een voortdurende stroom van de con sordino gespeelde golvende secundes schrijnt een eenvoudig wiegend thema. De spanning wordt opgevoerd tot deze culmineert in een 'schreeuw' (fortissimo gespeelde D door violen en altviolen). De 'huiverende' trillers (pianissimo) in de lage strijkers voorspellen een nieuwe dreiging. De violen spelen een afgeleide van het schrijnende thema en daaronder wordt langzaam maar onontkoombaar een nieuwe climax opgebouwd (de tremoli houden aan en de dynamiek stijgt van pianissimo tot fortissimo) tot ook deze uitmondt in weer zo'n 'schreeuw'. Zoveel verstikkend verdriet er uit dit deel opstijgt, zoveel bevrijdende lucht brengt de finale. Het is een rondo, maar in tegenstelling tot een 'echt' rondo wordt het motto (geheel volgens de principes van Bartók) nooit exact herhaald, maar altijd in een gevarieerde vorm. Dit deel is één groot dansfeest, waarin compositietechnieken uit de barok (imitatie en fugato) vrolijk en organisch versmelten met volksmuziekelementen. Een vioolcadens die nog het meest doet denken aan de virtuoze solo van de leider van een zigeunerorkest zet de loop van de muziek even totaal stil. Aan het eind van het werk, wanneer de muziek dreigt te wild en te fragmentarisch te worden, wordt zij tot de orde geroepen door een humoristische pseudo-Weense polka, met 'schmierende' glissandi van de altviolen en begeleid door pizzicati van de rest van de strijkers. Het werk eindigt in een vrolijke wervelende dans.

Agnes van der Horst


|| Omhoog || Andere toelichtingen ||