Béla Bartók (1881-1945)
Concert voor altviool Sz 120 (1945)
In september 1945, vlak voor hij stierf in een ziekenhuis in New York, zei Bartók tegen een 'I am only sorry that I have to leave with my bagage full'. Hij duidde daarmee op de vele plannen voor nieuwe stukken die hij niet meer kon verwerkelijken en op de werken die hij niet meer zou kunnen afmaken, zoals bijvorbeeld zijn Zevende strijkkwartet, waarvan alleen nog enkele schetsen op papier stonden, en een onvoltooid concert voor altviool en orkest.
In januari 1945 vroeg de beroemde Schotse altviolist William Primrose de
toen bij het Amerikaanse publiek nauwelijks bekende Bartók een concert te
schrijven voor altviool en orkest. Hoewel de componist in ernstige geldnood
zat, aarzelde hij omdat hij vond dat hij niet genoeg wist van de
mogelijkheden van de altviool als solo-instrument. Na het horen van een
radiouitzending van een uitvoering van het concert voor altviool van
Walton, door Primrose, werd Bartók toch enthousiast over het idee. In
september 1945 schreef hij zijn opdrachtgever dat het concert in ontwerp
klaar was; wat restte was slechts het 'puur mechanische werk'. 'Wanneer er
niets tussen komt kan ik daarmee klaar zijn binnen vijf of zes weken, dat
wil zeggen, ik kan u in de tweede helft van oktober een afschrift van de
orkestpartij sturen', beloofde Bartók Primrose. Maar enkele dagen na deze
brief stierf de componist en het Altvioolconcert bleef onvoltooid. Vriend
en medewerker Tibor Serly, die Bartóks pianocyclus Mikrokosmos al eerder -
naar tevredenheid van de componist - bewerkt had tot een orkestsuite,
maakte het werk af. Maar wat voor Bartók een 'zuiver mechanische arbeid'
was, bleek voor Serly een langdurig en moeizaam karwei. Alleen al het
ontcijferen van het handschrift van Bartók was een groot probleem.
Correcties waren over elkaar heen aangebracht, de noten stonden op allerlei
losse velletjes muziekpapier, waarop ook al eerder gemaakte schetsen
stonden. De velletjes waren bovendien niet genummerd, noch waren de
afzonderlijke delen aangegeven. Zijn enige verdere houvast was de boven
aangehaalde brief van Bartók aan Primrose. Hierin schreef Bartók over de
orkestratie dat deze 'tamelijk transparant, transparanter dan het
vioolconcert' zou worden. Verder schreef hij dat het 'sombere, meer
mannelijke karakter van uw instrument de algehele stemming van de
compositie enigszins heeft beïnvloed. (...) Het is in een tamelijk virtuoze
stijl geschreven. Zeer waarschijnlijk zullen sommige passages blijken
ongemakkelijk of onspeelbaar te zijn...' Deze summiere aanwijzingen
moesten Serly helpen het altvioolconcert voltooien.
In hoeverre hij hierin is geslaagd , daarover zijn de meningen nog steeds
verdeeld. Hoeveel van het concert is van Bartók en hoeveel is van Serly?
Deze vraag zal nooit met zekerheid beantwoord kunnen worden.
In ieder geval is vooral in het eerste deel weinig terug te vinden van de Bartók die wij tot dan toe kenden. Hier klinkt tamelijk kalme en ingehouden lyrische muziek die zelfs hier en daar wat vlak aandoet. De zogenaamde 'onspeelbare passages' uit de brief van Bartók duiden zeer waarschijnlijk op de behoorlijk lastige arpeggio's in dit deel. Pas tegen het einde van het Moderato komen de Bartókiaanse stuwkracht en vitaliteit tevoorschijn. Het erop volgende Lento Parlando is de schakel naar het volgende deel - Adagio Religioso (de titel heeft Serly ontleend aan het langzame deel van het Derde Pianoconcert). In dit gedeelte is de begeleiding wel zeer karig uitgevallen. Zou Serly de aanwijzing 'transparant' te letterlijk opgevat hebben? Niettemin is het prachtig van melodie en uiterst sereen van sfeer. De passage waarin kabbelende, hoge fluitmotiefjes en zachte trillers van de strijkers de 'piangendo' (wenende) altviool begeleiden heeft dezelfde huiveringwekkende en sinistere sfeer als sommige stukken uit Blauwbaards Burcht. Het ritmisch geaccentueerde allegretto-tussenstuk leidt naar het derde deel Dit allegro-vivace is een typisch Bartókiaans laatste deel: een snelle dans geïnspireerd op volksmuziek. Het is een bruisend rondo met voortdurend rondwervelende zestienden motieven. De thema's zijn levendig en ritmisch. Er komt een doedelzakmelodie in voor die vaag doet denken aan het hoofdthema uit het eerste deel. Het enige nadeel van deze finale is dat zij veel te kort is: na iets meer dan vier minuten wordt het dansfeest abrupt afgesloten.
Agnes van der Horst
|| Omhoog || Andere toelichtingen ||